Hans Scholl-Leve de vrijheid!

Hans Scholl
Hans Scholl

Tussen 27 juni en 12 juli 1942 werd een viertal pamfletten per post onder enkele honderden ‘zorgvuldig gekozen’ personen in Duitsland verspreid. De anonieme vlugschriften riepen in nogal hoogdravend en zeer intellectueel proza vol citaten van bekende Duitse dichters op tot passief verzet tegen Adolf Hitler. De pamfletten spraken over de willekeur van het nazi-regime, van de onverenigbaarheid van de nazistaat met de hoogstaande geschiedenis van het Duitse volk, maar ook van de moord op ruim 300.000 joden in Polen. Het eerste pamflet eindigde met een gedicht van Goethe en de woorden Freiheit! Het vierde vlugschrift eindigde met de zin Wir schweigen nicht, wir sind Euer böses Gewissen, die Weisse Rose lässt Euch keine Ruhe!

Na de Duitse nederlaag bij Stalingrad waarbij 300.000 militairen de dood vonden volgden in februari 1943 twee nieuwe vlugschriften, nu afkomstig van de ‘Widerstandsbewegung in Deutschland’. Hitler kan de oorlog niet winnen, alleen verlengen! En weer werd opgeroepen  tot Freiheit: vrijheid van woord en overtuiging, bescherming van de individuele burger tegen de willekeur van misdadige staten, dat zijn de grondvesten van het nieuwe Europa.

DDR postzegel met Hans en Inge Scholl

Het zesde pamflet, nu in een oplage van enkele duizenden,  werd onder andere op de Universiteit van München verspreid door het in het trappenhuis neer te laten dwarrelen. Dat werd de twee verspreiders noodlottig: de conciërge, die lid van de NSDAP was, greep hen in de kraag en waarschuwde de Gestapo. Het waren broer en zus Scholl, Hans en Sophie, 24 en 21 jaar oud. Verzet, ook al was het beschaafd en geweldloos, kon het regime niet hebben. In een onbeschaamd snel tempo werden de Scholls verhoord, enkele medestanders opgepakt en in een schijnproces dat nog geen drie uur duurde ter dood veroordeeld. Nog dezelfde middag, 22 februari 1943, eindigde hun leven op het schavot. Van het proces is niet veel overgebleven, wel zijn de laatste uren van Hans, Sophie en hun medestrijder Christian Probst goed gedocumenteerd. Hans’ laatste woorden waren ‘Es lebe die Freiheit! Op 19 april werden nog drie leden van de groep ter dood veroordeeld, Alexander Schmorell, Willi Graf en professor Kurt Huber. Huber, die beduidend ouder was dan de anderen, studenten, was de auteur van de pamfletten 5 en 6.

Alexander Schmorell

In de laatste decennia is er veel aandacht voor de Weiße Rose  geweest, als een van de weinige verzetsgroepen tegen Hitler. De jonge verzetsmensen – de meesten waren nog geen 25 jaar – spraken tot de verbeelding, en het feit dat een van hen een aantrekkelijk jonge vrouw was evenzeer. Er kwamen postzegels, verschillende boeken en films, met name over Sophie, die toch vooral een vrouwelijke, ondersteunende rol speelde.

De herinnering aan de groep werd vooral levend gehouden door de overgebleven leden van de familie Scholl. De oudste zuster Inge beheerde het archief, dat alleen al in het geval van Hans Scholl uit 799 dozen (!) bleek te bestaan, met daarin heel veel (niet bijster goede) gedichten, dagboeken, foto’s, en zijn bibliotheek met aantekeningen. Volgens zijn zus was Hans altijd al ‘mitteilungsbedürftig’ geweest. Inge Scholl schreef al in 1947 een roman over de groep onder de titel Die Weiße Rose. Daarmee was het standaardverhaal gemaakt. Inge vermeldde wel dat Hans in 1937 een aantal weken in de gevangenis had gezeten wegens lidmaatschap van een verboden jeugdorganisatie maar vermeldde daarbij niet dat hij behalve dat ook wegens homoseksualiteit was opgepakt. Voor het grote publiek (inclusief de Nederlandse Wikipedia) is Hans de geschiedenis ingegaan als heteroseksueel. Er is nu een nieuw boek, van (dominee) Robert M. Zoske, Flamme sein. Hij maakt gebruik van de papieren die Inge Scholl niet in haar boek heeft opgenomen, waardoor behalve de religieuze en intellectuele ontwikkeling van Hans Scholl ook de invloed die de hechtenis voor Scholl heeft gehad in een breder perspectief wordt gezet.

Flamme sein geeft een portret van Hans Scholl als jonge man. Dat heeft de makke dat hij maar 24 is geworden. Normaliter kun je als puber een vat vol tegenstrijdigheden zijn en valt dat verder niet op, omdat je in het latere leven wel weer de kans krijgt dat recht te zetten. Maar juist door al deze dagboeken en nagelaten papieren komen de twijfels en overtuigingen van Scholl uitvergroot voor het voetlicht. Twijfels over wie hij is, bij wie hij zich aansluit, en zeker niet in de laatste plaats twijfels over zijn seksuele voorkeur. Maar ook: hij begon als overtuigd aanhanger van de nieuwe orde van de nationaal-socialisten in Duitsland, was tegelijkertijd lid van een onafhankelijke jeugdbond, was homoseksueel en tegelijk zeer gelovig, droomde van een carrière in het leger als officier.

Tegenstrijdigheden.

Hans en zijn broer Werner

In 1933 werd Hans Scholl lid van de Hitlerjugend (HJ). Ook zijn zussen en broer waren lid van een nazistische jeugdorganisatie. Dat hadden ze zeker niet van thuis meegekregen, vader was overtuigd antinazi, maar het geeft aan hoe het nazi gedachtegoed jonge mensen aansprak. Hans maakte zelfs snel carrière en werd in 1935 ‘vaandeldrager’ over 150 jongens. Tegelijkertijd deed hij iets wat korte tijd later, in februari 1936, streng verboden werd: hij werd lid van een onafhankelijke jeugdbond, dj.1.11, met een eigen groep de Trabanten (dat betekent zoiets als dienaar, trawant in een vriendelijker betekenis van het woord). De naam van de jeugdgroep de Trabanten is afkomstig uit een zeer invloedrijke reeks gedichten van Stefan George, De ster van het verbond, geschreven als een hymne op het Duitse nationalisme in de eerste wereldoorlog, ‘Wer je die flamme umschritt/bleibe der flamme trabant.’

Die jeugdbonden waren in Duitsland ontstaan als reactie op de ellende van de eerste wereldoorlog en hadden ten doel in volle vrijheid nieuwe verbanden onder jongeren te scheppen. Dj.1.11. was een bijzondere vereniging, ze deden meer dan buiten kamperen en sporten; ze lazen Rilke, Zweig en ook Stefan George; ze componeerden, zongen, gingen liftend op reis en overnachten in hun eigen speciale tenten, de zwarte vierkante ‘Kothen’ die oorspronkelijk uit Finland kwamen. In 1936 was Hans de aanvoerder van een groepje van tien Trabanten die per trein en liftend een reis naar Stockholm maakten.

Hans zag op dat moment weinig verschil tussen de Duits-nationale opvattingen van de nationaalsocialisten en zijn jeugdbond. En misschien was er naar huidige maatstaven niet zoveel verschil, maar wilden de nazi’s alles onder hun controle houden. Aktie en discipline hoorden zowel bij de jeugdbonden als bij de HJ. Beiden waren een mengeling van avontuur en Männerbund. Het was zeker niet in de laatste plaats de aantrekkingskracht van mannen onder elkaar die Hans Scholl fascinerend vond. Het gevolg laat zich raden. Toch was de arrestatie van Scholl in 1937 het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De Gestapo maakte jacht op personen die ze van bündnische sympathieën verdachten. Als ‘bijvangst’ kregen ze te horen dat twee van de Trabanten, waaronder Hans’ jongere broer Werner, tot homoseksuele handelingen waren verleid door een van de jeugdleiders, Ernst Reden. Ook de 15jarige Rolf Futterknecht werd opgepakt. Deze verklaarde in 1936 en 1937 regelmatig ‘ontuchtige handelingen’ met Hans Scholl (die toen 17 was) te hebben gepleegd. Op 11 november 1937 viel de Gestapo verschillende huizen binnen van mensen die verdacht werden van ‘bundnische’ sympathieën. In het huis van de familie Scholl werd belastend materiaal gevonden, brieven en boeken. Sommige van die brieven maakten deel uit van een correspondentie tussen Hans Scholl en een 65jarige homoseksuele Zweedse officier, Max Schürer von Waldheim, die hij bezocht had tijdens zijn bezoek aan Stockholm. Mede door deze correspondentie werd Scholl niet alleen aangeklaagd wegens het lidmaatschap van de verboden jeugdorganisatie, maar ook wegens overtreding van de beruchte artikelen 175 en 175a, die homoseksueel contact verboden voor meerderjarigen en tussen personen in een gezagsrelatie. Via de in beslag genomen correspondentie was een homonetwerk zichtbaar geworden, waarin behalve Scholl en Schürer von Waldheim ook nog de leider van het reisbureau van de Reichsjugendführung, Georg von Schweinitz, en Scholls vriend in de jeugdbond Ernst Reden zichtbaar werden.

Scholl nam de schuld op zich voor het seksueel contact met Futterknecht, hij gaf wel toe dat het een ‘Schweinerei’ was geweest, maar zijn motief was ‘de grote liefde die ik voor Futterknecht had’. Later zou Scholl nooit meer iemand als zijn ‘grote liefde’ betitelen. Verschillende malen had hij geprobeerd met het gedrag op te houden, maar hij kon het niet laten. Hij schreef zijn ouders dat hij had gehoopt zich ‘met onvermoeibare arbeid weer schoon te kunnen wassen.’

De processen-verbaal van de verhoren zijn bewaard gebleven. We kunnen lezen dat het verhoor niet veel anders verliep dan bij de reguliere politie in die jaren – in de tekst is geen sprake van wat wij ons bij Gestapo methoden voorstellen. De vragen, de antwoorden en de beschrijvingen komen ons bekend voor. “Op een nacht tijdens het paaskamp, toen we net met onze gezichten naar elkaar gedraaid lagen, begon Scholl met mijn geslachtsdeel te spelen, nadat hij mijn trainingbroek naar beneden had gedaan. In die nacht ging het wat verder, omdat hij zijn trainingsbroek ook naar beneden stroopte en zijn blote deel tussen mijn blote bovenbenen drukte. Daarbij werd zowel mijn als zijn lid stijf. Na enige tijd voelde ik nattigheid tussen mijn benen en ik neem aan dat Scholl toentertijd een zaadlozing heeft gehad. Bij mij was alleen mijn lid stijf; ik had geen zaadlozing.’ Etc etc. Zo verklaarde Futterknecht dat hij zelf niet homoseksueel was –een uitspraak waar de Gestapo overigens aan twijfelde omdat beiden gedurende enkele jaren met elkaar hadden gekampeerd en reizen gemaakt. Op 15 december 1937 werd Hans Scholl in Untersuchungshaft genomen. Er volgden bezoeken en brieven met zijn ouders, die hem vanuit hun geloof ondersteunden. Hans’ vader en zijn directe militaire meerdere intervenieerden met succes ten gunste van hem. Het probleem was, aldus de laatste, dat er een zekere gezagsverhouding had bestaan tussen Hans (als vaandeldrager van de troep) en de jonge Rolf. Als dat niet zo was geweest, had men de hele zaak zo onder de tafel geschoven. Maar met dit argument was men duidelijk op de goede weg gekomen. Op 30 december 1937 werd hij uit het voorarrest vrijgelaten en keerde terug naar de kazerne waar hij als soldaat diende. Hij moest nog tot juni 1938 wachten tot zijn zaak voor het Sondergericht diende, dat waren gerechten buiten de normale rechtsgang om, die ten doel hadden anders-denkenden en -voelenden als ‘Volksschädlinge’ uit te sluiten. Maar Scholl maakte een goede indruk, hij kwam totaal niet staatsgevaarlijk over. De ontucht hoefde niet zwaar bestraft te worden, het leeftijdsverschil was gering, en Futterknecht maakte de indruk dat hij tegenover dit soort dingen niet onervaren of afwijzend te staan.’ Ten tijde van het gebeurde (nl voor de aanscherping van art 175) was dit gedrag niet eens strafbaar. Kortom, Scholls handelen was een ‘jeugdige dwaasheid van een overigens keurig net en ook geslachtelijk normaal voelend mens, dat dit soort dwaasheden overwonnen had.’ Hij verdiende ‘niet meer dan een maand gevangenisstraf’ en kwam daarom in aanmerking tot kwijtschelden van de straf, sinds straffen van korter dan een maand niet ten uitvoer hoefden te worden gebracht. Zo keerde hij terug naar de cavaleriekazerne. Hij ging medicijnen studeren, maar bleef onder dienst, het leger had behoefte aan artsen. Hij woonde in München afwisselend in de kazerne en op kamers en moest zich af en toe als hospik inzetten.  

Hans en Sophie Scholl met Christian Probst

Hans Scholl was er dus licht vanaf gekomen. Toch waren de gevolgen groot. Scholl schaamde zich diep. Het is duidelijk dat het incident voor grote verwarring bij hem had gezorgd. Met zijn persoonlijke leven komt het daarna niet erg op orde. Op mij maakt het de indruk dat hij hardnekkig probeerde uit te vinden wat heteroseksualiteit was. Dat hij dat vooral door vriendschappen met 14 en 15 jarige meisjes probeerde met wie hij nadrukkelijk geen seks had, maakt deze pogingen des te moeizamer. Ook als hij op een iets hogere leeftijd overschakelt, wil het maar niet lukken: de dames vinden hem saai en niet echt geïnteresseerd in hen. Hij wil vriendschap, maar niet dat man-en-vrouw gedoe. Pas vlak voor zijn dood heeft hij een kortstondige relatie met een vrouw van zijn leeftijd, maar het is niet duidelijk of deze relatie seksueel was. Hij zegt tegen zijn ouders dat hij zich had voorgenomen ‘rein te blijven’, maar het is niet duidelijk of hij dit nu onder invloed van het christendom deed, of om de ‘naamloze zonde’ stil te houden.

Alexander Schmorell en Hans Scholl in dienst

Hoe hij het ook met meisjes probeerde, zijn diepste vriendschappen bleven met mannen: in 1939-40 met Hellmut Hartert en vanaf 1941 met Alexander Schmorell. Met Hartert onderhield hij een ‘bijzonder nauwe vriendschap’ die op wederzijdse aantrekking was gebaseerd. Ze gingen samen op vakantie en woonden ook een tijdje samen, tot Hans heftig verliefd werd op de 15 jarige dochter van een vriend van Helmut. Volgens mensen in zijn omgeving was Helmut hierdoor ‘mateloos teleurgesteld’ en het zorgde voor een verwijdering tussen de vrienden.

Door de gebeurtenissen rond de arrestatie en rechtszaak raakte Scholl steeds verder van het nationaalsocialisme af. Hij veranderde ook van gedachten: zijn individualisme, natuurmystiek en toenemende christelijke vroomheid stond ver af van de collectieve en blut-und-boden gedachten van de nazi’s. Wat zeker ook een grote rol speelde in dit proces was dat het studentenbataljon van de Universiteit in de zomer van 1942 een aantal maanden naar het oostfront in Rusland werd gestuurd. Hier zag Hans Scholl met eigen ogen hoe verwerpelijk het legeroptreden van de nazi’s was.

Scholl las veel auteurs van uiteenlopende stromingen, die tezamen zijn denken beïnvloedden. De laatste was Thomas Mann, die vanuit de Verenigde Staten radioboodschappen naar Duitsland stuurde. Mann en Scholl hadden een gemeenschappelijke visie van een nieuw Duitsland in een vrij Europa, dat deel zou uitmaken van een vreedzame wereld. Uiteindelijk had de Weiße Rose weinig impact. Daarvoor was het toch te kleinschalig, te elitair en wilde het Hitler wel weg hebben, maar nam het geen afstand van het conservatisme waaruit deze was voortgekomen.

Verder lezen:

  • Herzer, Manfred, 2008, Hans Scholls große Liebe, Capri 40, 2-21;
  • Herzer, Manfred, 2015,  Hans Scholls religiöse und sexuell Entwicklung’, Capri 49, 123-132
  • Kühne, Thomas, Friendship into Comradeship. Gang Culture, Genocide, and Nation-Building in Germany, 1914-1945.
  • Zoske, Robert, 2018, Flamme Sein! Hans Scholl und die Weiße Rose. Beck, München.


Heidenen in het RMO

Heidense Heiligdommen wordt gepresenteerd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Dat is deels ‘for sentimental reasons’. Ik kom al sinds mijn zesde (toen had ik nog nachtmerries van mummies) en veel regelmatiger sinds mijn zestiende in het museum. Toen ik studeerde kwam ik er vrijwel wekelijks, zo niet vaker. Twee herinneringen: als je binnenkwam door de poort kwam je op een grote sombere binnenplaats, tegenwoordig overdekt, waar nu de tempel van Taffeh staat. Links was een groezelige fietsenstalling en in het midden in een al even mottig grasveldje, lag sinds 1922 de ‘germaanse’ put, die Romeins bleek te zijn en uit Grevenbicht kwam, en daar in 1977 ook weer naar terug ging.

Tweede herinnering: in 1972 schreef ik een scriptie over het bronsdepot van Wageningen, een van de belangrijkste vondsten uit de vroege bronstijd. De stukken moesten niet alleen getekend worden (door mij) maar ook gefotografeerd (door de fotograaf Meuzelaar). In het RMO werd de vitrine aan de achterkant opgemaakt, ik pakte de stukken, wikkelde ze in papier en vervoerde ze lopend in een plastic VenD tasje van het Rapenburg naar de Breestraat. Zo ging dat toen.

Het RMO heeft ook een aantal voorwerpen die aan niet-christelijke gebruiken herinneren. Omdat het lastig was deze voor kortere tijd uit de collectie te halen, laat ik er hier een paar zien.

Beretand uit Wiewerd

Er zijn vooral veel amuletten bij: ze moesten de drager tegen het kwaad beschermen, dan wel het goede bewerkstelligen. Amuletten waren er in vele soorten en maten: dierentanden, kralen en bollen van bergkristal of barnsteen, kralen.

Bol van bergkristal, Rhenen

Magische zwaardkraal uit Rijnsburg

Dieren waren belangrijk: ze symboliseerden vruchtbaarheid en voortplanting. Vooral het paard en de stier golden als zodanig.

Het Romeinse stiertje uit Beilen heeft drie hoorns. Daarmee is het voor Nederland uniek. Stiertjes maar ook paarden met drie hoorns vinden we vooral in Gallië en Engeland: ze horen kennelijk thuis in het ‘Keltische’ gebied. Miranda Aldhouse-Green koppelt ze aan een hele serie beelden (ook menselijke/goddelijke) in drievoud, ze noemt ze triaden. In drievoud heeft het beeld meer macht, en verwijst naar extra heilige kracht.

Paardje, Breda

Ook het paard stond voor kracht, vruchtbaarheid en macht. Dit paardje is in Breda gevonden en dateert uit de Romeinse tijd. Het paard stond in groot aanzien bij de Germanen. Er zijn veel ceremoniële paardegraven gevonden. Een van de oud-Noorse liederen bezingt de heldendaden van het gedroogde hengstenlid, de VVölsi.

Donarkeule uit Dorestad

Ook de zgn Donarkeule stonden voor kracht en gezondheid; ze werden (van de Oekraïne tot Nederland) vooral bij vrouwen in het graf meegegeven. Soms werd daarbij ook nog een kaurischelp meegegeven.

De ruiterfibula afkomstig uit het grafveld van Rhenen verwijst wellicht naar een bovennatuurlijke macht (type ‘Wodan’) te paard.

Houten kop Heiloo

Het houten hoofd uit Heiloo dateert mogelijk uit de 7e eeuw, het lijkt veel op Scandinavische voorbeelden uit de 5e-7e eeuw. De koffieboonvormige open mond en de volgeblazen wangen moeten kracht en levensvreugde uitstralen (naar Lange 2017). Dit houten beeld is niet te zien in het RMO

Dit zilveren beeldje werd in de 19e eeuw aangekocht door het RMO. Het is gevonden in het karolingische gedeelte van Dorestad. Gezien de koffieboonvormige ogen en de vorm van het haar zou het afkomstig kunnen zijn uit Scandinavië en is dan mogelijk door een Viking rover of handelaar meegenomen.


Heidense Heiligdommen

Vier sterren voor Heidense Heiligdommen in Trouw!

Hoewel het boek pas 16 mei verschijnt, staat er op 15 mei al een mooie recensie in Trouw.

Wetenschappelijk inzicht in Neerlands heidense verleden

Marijke Laurense

Joost mag weten wat je eraan hebt, maar wat een verrukkelijke logica. Marijke Laurense

De auteur

Historica Judith Schuyf (1951) is vooral bekend om haar onderzoek naar de emancipatie van lesbiennes, homo- en biseksuelen en transgenders. Zo publiceerde zij over de vervolging en het verzet van homoseksuelen tijdens het nazisme; ook schreef ze (mee aan) heel wat stukken voor een roze overheidsbeleid. Daarnaast liet ze als landschapsarcheologe van zich horen, met onder meer ‘Heidens Nederland’ (1995).

De thematiek

Met ‘Heidense heiligdommen’ geeft Schuyf een vers overzicht van hoe het nu, bijna 25 jaar na Heidens Nederland, staat met het wetenschappelijke inzicht in ons heidense verleden. Want hoewel de tand des tijds ondertussen natuurlijk genadeloos heeft doorgeknaagd, is ook de kennis gegroeid, dankzij digitale databanken, verfijndere onderzoeksmethodes (zoals pollen- en isotopenonderzoek) en het verdrag van Malta, waardoor de bodem eerst onderzocht moet worden voordat er ergens een nieuwe woonwijk of snelweg gebouwd mag worden.

Daarnaast: heidendom is hip. Welke VVV zou niet dolgraag een spirituele trekpleister à la Stonehenge in de aanbieding willen hebben?

Dus zet Schuyf eens rustig op een rijtje wat in ons landschap en in onze plaatsnamen inderdaad mag bogen op een heidens verleden. En dan gaat het over heuvels, bronnen, zwerfkeien en heilige bomen en wat er mogelijk waar is aan de vaak huiveringwekkende verhalen erbij over rituele mensenoffers. Wat weten we nu echt over de religieuze beleving in de Lage Landen voor de komst van Willibrord en Bonifatius, waarover indertijd uitsluitend afkeurend is geschreven? En wat is er met al die prechristelijke plekken en verhalen gebeurd voor- en nadat onze contreien uiteindelijk helemaal gekerstend waren?

Om te beginnen is er veel vernield: u kent ongetwijfeld het verhaal dat Bonifatius een heilige eik omhakte. Ook werd het streng verboden om de doden te cremeren, bij een bron of heg te bidden of (speciaal voor vrouwen) de toekomst te voorspellen. Maar de katholieke kerk paste ook heel pragmatisch menig oud gebruik aan, getuige bijvoorbeeld de talloze magische, geneeskrachtige bronnen die aan fatsoenlijke heiligen als Willibrord, Maria en Odilia werden gewijd.

Opvallendste stelling

De strijd tegen de heidenen en hekserij kwam pas echt op scherp te staan na de Middeleeuwen: zowel het rationalisme als het protestantisme was bijzonder allergisch voor elke vorm van bijgeloof en afgoderij, waartoe ook alle ‘paapse stoutigheden’ werden gerekend. Zo zijn er, tot groot verdriet van archeologe Schuyf, na 1580 opnieuw veel heidense heiligdommen bewust gesloopt. Een recent voorbeeld: eind 1996 heeft bij Staphorst iemand onder verwijzing naar Richteren 6 een pas ontdekte ‘wonderden’ omgezaagd, die drommen pelgrims trok.

Kernzin

‘Het heidendom bestond niet als zodanig, alleen voor zover het in de opvattingen van de Kerk gedefinieerd werd als dat van de Ander, het niet-christendom als het ware.’

Redenen om dit boek niet te lezen

Een register zou van dit boek ook een handig naslagwerk hebben gemaakt; nu moet u zich door veel opsommingen worstelen voor het verhaal over een bepaalde plek. En weet u zo uit uw hoofd wat vaktermen als ‘depositie’ en ‘inhumatie’ betekenen?

Ook zult u zich storen aan Schuyfs nuchter-wetenschappelijke, licht ironische benadering als u spiritueel gegrepen bent door het heidendom of juist elke vorm van bijgeloof en volksdevotie des duivels vindt.

Redenen om dit boek wel te lezen

Heidense heiligdommen geeft een vermoedelijk compleet overzicht van waar in Nederland u de prehistorie nog kunt vinden en dat blijkt verbazend vaak vlak om de hoek te zijn.

Schuyf maakt een fascinerend stuk cultureel en religieus erfgoed toegankelijk voor iedereen die zijn algemene ontwikkeling op peil wil houden. Haar betoog is helder en aannemelijk, de foto’s en de lokale legendes zijn fraai, en heerlijk zijn de vele weetjes. Ooit geweten waarom Hemelvaart altijd op een donderdag valt of dat je met een simpel veerooster de duivel met zijn bokkenpoten buiten de deur kunt proberen te houden?

boek cover

Judith:

Op 16 mei 2019 verschijnt Heidense Heiligdommen bij uitgeverij Omniboek. Het boek gaat uitgebreid in op de vraag wat wij weten over religieuze opvattingen en praktijken vanaf circa 300 voor het begin van de jaartelling tot het heden, die buiten de christelijke belevingswereld vielen. Dit gaat aan de hand van vier vragen:

  • wat weten we over religieuze beleving in de lage landen voor de christianisering?
  • wat gebeurde er met de prechristelijke elementen tijdens en in de eeuwen na de kerstening?
  • in hoeverre kunnen we iets zeggen over het proces van bewuste en onbewuste herhaling en hertaling van het prechristelijke?
  • welke zichtbare fenomenen herinneren daar vandaag de dag nog aan?

 

ISBN 9789401914338.

Heidense heiligdommen. Zichtbare sporen van een verloren verleden

Judith Schuyf, met foto’s van Sjaan van der Jagt

Omniboek, 336 blz., € 24,99

****


LHBT- een relevant gegeven?

Op 4 december 2017 gaf ik in Goes voor WDH Bevelanden een avond nascholing over LHBT in de huisartsenpraktijk – een relevant gegeven?

De avond werd georganiseerd door het LHBT netwerk Zeeland en Roze50plus. Een verslag vind u hier.

Judith Schuyf huisartsen GoesTen behoeve van deze avond heb ik op deze pagina wat aanvullende informatie gezet, zoals de Handreiking Gezondheid lezen die ik samen met José Renkens en Hanneke Felten in 2011 maakte. De Handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste wetenschappelijke publikaties over de gezondheidssituatie van LHBT’s en waar zij gezondheidsrisico’s lopen.

De volgende publikaties en websites bevatten materiaal ter verdieping van de stof:

Handreikingen Movisie over gezondheid en welzijn LHBT’s, te vinden onder

https://www.movisie.nl/kennisdossiers/lhbti-emancipatie

  • Kijk jij al door een roze bril? (Movisie, 2013) Handreiking voor iedereen die professioneel met LHBT cliënten/patiënten te maken heeft) toegespitst op het maatschappelijk werk, maar met veel tips waar ook huisartsen iets aan kunnen hebben)
  • Handreiking LHBT-emancipatie: Informele zorg en zelfredzaamheid bij LHBT-ouderen (Movisie, 2014)
  • Handreiking LHBT-emancipatie: Lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender ouderen (Movisie, 2012)

Homoseksualiteit in een heterorelatie. Lichamelijke klachten kunnen symptoom zijn van verborgen leed. Wilfred Ploeg. Medisch Contact 01 december 2010.

Seksuele gezondheid

http://www.de-eerstelijns.nl/wp-content/uploads/2016/07/DEL-nr6_Seksuele-gezondheid_LR.pdf.

Veel zaken op het gebied van seksuele gezondheid zijn vastgelegd in de NHG-Standaarden ‘Soa-consult’ en ‘Seksuele Klachten’. Plus digitale nascholing (e-pin) met filmpjes. Huisarts Advies Groep seksuele gezondheid seks-HAG

H.de Graaf, B.Bakker, C.Wijsen, Een wereld van verschil. Seksuele gezondheid van LHBT’s in Nederland in 2013. Rutgers WPF.

Jongeren

www.iedereenisanders.nl  Website voor jongeren, ouders en professionals. De website is opgezet als suïcidepreventie voor jongeren, en geeft ook om kennis voor professionals en ouders.

H.Felten en M.Boote, Ik wou dat ik dood was. 10 vragen van professionals over suicidepreventie onder lesbische, homo- bi- en transgenderjongeren. Movisie 2012.

Kuyper, L. Jongeren en seksuele oriëntatie. Sociaal en Cultureel Planbureau 2015.

Ouderen

Kuyper, L. 55-plussers en seksuele oriëntatie. Ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en heteroseksue­le 55-plussers. Sociaal en Cultureel Planbureau, 2015

www.roze50plus.nl

www.rozezorg.nl

www.zorgvoorbeter.nl/diversiteit

Religieuze en biculturele LHBTI’s

https://www.regenbooghulp.nl/ website met informatie over hulpverlening m.b.t. christendom en homoseksualiteit

Geloven onder de regenboog. Handreiking voor hulpverlening aan christelijke lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders. LCCplus projecten en Movisie. Z.j.

400 Bronnen voor biculturele LHBT’s en hun hulpverleners. KIS 2015.

De kastdeur op een kier. Handreiking Seksuele en genderdiversiteit in mulitcultureel Nederland. Movisie LHBT emancipatie.

Dé (allochtone) lesbienne bestaat niet! Gemeente Amsterdam. Adviesraad diversiteit en integratie, 2011.

Ik ben Turkse en ik ben lesbisch. Lesbische vrouwen vertellen hun verhaal. Stichting Katlim

 

 

 


Wat doet een zonnerad in de kerk?

In de hal van de hervormde kerk in Garnwerd staat een grote plaat van rode zandsteen. Daarop staat een afbeelding met drie bespaakte raderen en een rij boogjes. De toenmalige voorzitter van de Stichting Oude Groninger Kerken, wijlen Harry de Olde maakte mij jaren geleden attent op de steen. Hij wist niet precies wat de betekenis van de afbeeldingen was, en kende in Nederland ook geen parallellen.

Garnwerd, sarcofaagdeksel. ©Pixelpolder

Nu blijken zandstenen sarcofagen, sarcofaagdeksels en grafplaten helemaal niet zo zeldzaam te zijn. Alleen al in Nederland zijn er op dit moment zeker 353 bekend, zoals blijkt uit een inventarisatie die Piet Heinsbroek maakte. Oorspronkelijk moeten er nog veel meer geweest zijn, maar omdat steenmateriaal nu eenmaal zeldzaam en duur is in Nederland, zijn veel stenen secundair gebruikt als drempel of ander bouwmateriaal.

In de kerk van Termunten lag een fotokopie met gegevens over de stukken zandsteen aldaar van de hand van Heinsbroek. Navraag leerde dat hij kort daarvoor overleden was. Zijn omvangrijke documentatie wordt nu deels in het stadsarchief van Vlaardingen (het ‘Hollandse’ deel) en deels bij de RCE in Amersfoort bewaard. Bij het maken van het overzicht had Heinsbroek al het materiaal uit oudere literatuur verzameld (noot 1) en de stenen vrijwel allemaal bezocht en gefotografeerd en/of opgemeten.

Sarcofaagdeksel of grafplaat?

In de wandeling worden de stenen platen vaak ‘sarcofaagdeksels’ genoemd, maar waarschijnlijk zijn ze lang niet allemaal als zodanig gebruikt, ook al liggen ze nu soms op een zandstenen sarcofaag. Het is niet duidelijk of dat de oorspronkelijke situatie is. Mogelijk dekten verschillende grafplaten een in de grond, of later in de kerk, gedolven graf. De bovenkant van de grafplaat was dan zichtbaar voor de bezoeker van kerkhof of kerk. Om te voorkomen dat men over de grafplaat struikelde is het reliëf van de versiering meestal vlak gehouden. Lang niet alle grafplaten/deksels zijn versierd overigens.

Waar zijn ze gevonden?

Grafplaten/deksels worden vooral gevonden in kustprovincies langs de Noordzee (van Zeeland tot in Denemarken). Wanneer men de lijst die Heinsbroek opstelde op een kaart van Nederland plot (ik hoop deze kaart als hij compleet is binnenkort hier te publiceren) valt het overweldigende aantal sarcofagen/deksels in de provincies Friesland, Groningen en in mindere mate Noord-Holland op. Veel minder exemplaren zijn gevonden in Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, en Flevoland, allemaal ‘boven de grote rivieren’. Er is één uitzondering, afkomstig uit de St Amalberga in Susteren. Ook uit het Rijnland zijn er enkele tientallen exemplaren bekend (noot 2).

Waar komen ze vandaan?

De meerderheid is vervaardigd uit rode zandsteen, afkomstig uit de Eifel en het Wesergebied. Een geringer aantal is van gele Bentheimer zandsteen. De exacte herkomst is mij onduidelijk; er is vrijwel geen petrografisch onderzoek gedaan. Wel is een plek gevonden waar steen gewonnen is (noot 3).

Het zijn dus importstukken in de lage landen. Het vervoer van de 600 kilo zware stenen platen moet een majeure operatie geweest zijn. Transport over water ligt voor de hand. Daar wijst de verspreiding ook op. In waterrijke gebieden waren veel kleine geulen en sloten die bevaarbaar waren voor de platbodemschuiten. Maar dan nog moesten de platen uiteindelijk per kar naar de uiteindelijke bestemming worden gevoerd. Het is aannemelijk dat ze bedoeld waren voor de graven van belangrijke personen. Er zijn aanwijzingen dat de platen in de loop van de tijd voor steeds weer nieuwe graven werden hergebruikt.

Baflo, sarcofaagdeksel. Foto Groninger Museum.

Datering

In de praktijk blijkt het lastig om de grafplaten te dateren. Een absolute datering is alleen mogelijk wanneer men weet wie er in het graf begraven lag, met de sterfdatum.

Zwaag sarcofaagdeksel.
Tekening P. Heinsbroek.

Een andere mogelijkheid is wanneer de grafplaat gekoppeld kan worden aan een goed gedateerde bouwfase van de kerk. Een absolute datering van de Nederlandse exemplaren is daardoor zelden mogelijk. Lang gebruikte men stilistische kenmerken op de platen als hulpmiddel bij de datering, maar verschillende archeologische vondsten wijzen op eventuele onbetrouwbaarheid van deze methode (noot 4). Er is dringend nieuw onderzoek nodig waarbij het totale bestand aan afbeeldingen op de deksels in een kader wordt gezet van versieringsmotieven die gebruikt zijn op stenen maar ook metalen voorwerpen uit de hele vroegmiddeleeuwse periode.

 

Zo blijkt dat in het Rijnland sarcofaagdeksels/grafplaten zijn gevonden die men daar (op stilistische gronden?) in de 7e eeuw dateert. Deze passen in een Frankische versieringstraditie, die weer direct teruggaat op de laat-romeinse traditie aldaar (noot 2).

In Nederland neemt men vooralsnog aan dat de bulk van de grafplaten in de 11e en de 12e eeuw te dateren zijn, met uitlopers naar de 10e en 13e eeuw. Dat hangt ook samen met de vooronderstelling dat er een (stenen?) kerk aanwezig moet zijn, waar overledenen in of rond ter aarde werden besteld.

Naast de vraag over de datering en het gebruik van de versieringselementen staan er nog meer vragen open. In volgende blogs probeer ik hier, naarmate mijn onderzoek vordert, meer over te vertellen.

Beets, sarcofaagdeksel. Thans te Jannum. ©Pixelpolder

– hoe was de productie en het transport georganiseerd?

 

– welke transportroutes werden gebruikt?

– werd de versiering op de stenen al aangebracht in het productiegebied of pas bij aflevering?

– konden de ‘klanten’ bepaalde voorstellingen bestellen?

De laatste vraag interesseert me in het bijzonder. In mijn onderzoek naar Heidens Nederland bleven de zonneraderen van Garnwerd lang zonder parallel. Uit de nieuwe inventarisatie blijken er nu naast de steen uit Garnwerd, nog zes grafplaten met zonne- of radmotieven te zijn. Welke betekenis kon aan deze zonneraderen worden gegeven? Wijst dit op oude tradities die lang zijn blijven bestaan?

Heidens en christelijk

  1. Op de steen in Garnwerd staan drie raderen, met elk in het midden een centrum waaruit acht spaken naar het deels dubbele rad lopen.
  2. en 3. In het kerkmuseum in Jannum (deze ‘buitenpost’ van het Fries Museum herbergt een aantal middeleeuwse sarcofagen, grafplaten en andere grotere stenen objecten) bevindt zich een sarcofaagdeksel met de afbeelding van een cirkel met acht stralen. Deze is afkomstig uit Beets. Op het oude kerkhof van Beets werden in het verleden mogelijk twaalf grafplaten gevonden (deze zijn te vinden in de dokumentatie van de heer Heinsbroek), die deels dus in Jannum liggen en deels verdwenen zijn. Fysiek verdwenen is helaas een fragment van een sarcofaagdeksel met twee concentrische cirkels en een zesspakig rad.
  3. Uit Baflo komt een fragmentaire afbeelding bestaande uit zes concentrische cirkels met acht stralen; de steen ligt thans in het depot van het Groninger Museum in Hoogkerk.
  4. Uit de OLV kerk in Harderwijk is een zeer verweerde grafplaat met een cirkel met acht stralen afkomstig;
  5. Uit Zwaag is een plaat afkomstig met – afhankelijk hoe je het interpreteert – mogelijk vier cirkels met acht stralen.
  6. Tenslotte komt er uit Midwolde nog een afbeelding met zes cirkels en acht stralen.

Midwolda, Sarcofaagdeksel.
Foto RCE.

Harderwijk, sarcofaagdeksel. Tekening P.Heinsbroek.

Beets, verloren gegaan sarcofaagdeksel. Tekening P. Heinsbroek.

Schematisch vertonen deze zeven afbeeldingen grote overeenkomsten. In alle gevallen, op een na, is er sprake van acht stralen, die vanuit een centrum stralen. In twee gevallen kan men de afbeelding als een rad interpreteren; in de overige is sprake van een of meer (concentrische) cirkels. Zijn dit inderdaad afbeeldingen van de zon, zo ja, hoe passen ze in het totale versieringsrepertoire van de grafplaten?

Er zijn verschillende types versiering op de grafplaten te onderscheiden, soms in combinatie met elkaar (noot 5). Sommige versieringen komen direct voort uit een christelijke beeldtaal, zoals het stafkruis en het griekse kruis. In Noord-Nederland zijn veel platen versierd met kromstaven en kruisstaven. Deze worden met een bijbelspreuk in verband gebracht. Sommige grafdeksels dragen een menselijke afbeelding, die vermoedelijk de overledene voorstelt. De boogjes op de steen met de raderen in Garnwerd worden wel geïnterpreteerd als een onderdeel van de kerkarchitectuur, maar zijn daar eigenlijk iets te oud voor. De regelmatig voorkomende gestileerde levensboom is op zich een oud motief, dat op zeker moment in de christelijke traditie wordt overgenomen.

2013_Copyright-Pixelpolder_Kopenhagen_0D40374.NEF_17082013_0166

Gundestrup, Ketel van (verguld) zilver met onder andere afbeelding van wiel. Nationalmuseet Kopenhagen, ©Pixelpolder.

Wellicht geldt iets vergelijkbaars voor het zeer vaak voorkomende radkruis, dat bekend staat als ‘Keltisch’ versieringsmotief uit de voor-romeinse tijd. Het wiel dat de Keltische dondergod Taranis met zich meevoert, is een radkruis. Het komt ook op de Gundestrupketel (hyperlink) voor. Directe parallellen zijn ook te vinden in het National Museum in Dublin, kleine gouden schijven met een kruis binnen concentrische cirkels, daterend uit de bronstijd.

Daarnaast zien we afbeeldingen van palmetten en rozetten. Dit waren al populaire motieven in de klassieke oudheid. Er zijn ingewikkelde geometrische versieringen die aan de Germaanse dierstijl doen denken die in de vroege middeleeuwen populair was in noord-Europa.

Binnen dit geheel misstaan de patronen van cirkels, stralen en raderen helemaal niet. Er zijn vele parallellen gevonden die gedateerd worden vanaf de prehistorie tot in de vroege middeleeuwen.

Harpstedt, lkr. Oldenburg. Zonnesteen, datering: bronstijd? ©Pixelpolder.

Ze worden verklaard als zonnesymbolen of symbolen die naar de kringloop van het leven verwijzen. De ‘zonnesteen’ uit Harpstedt, mogelijk al daterend uit de bronstijd, draagt een afbeelding van 18 concentrische cirkels. Fibulae uit de romeinse (ijzer)tijd en vroege middeleeuwen zijn versierd met concentrische cirkels en kruisen. Onder de laatsten zijn er minstens twee die een opmerkelijke overeenkomst hebben met de versieringen op onze grafplaten.

Het Rijksmuseum van Oudheden bezit een fibula uit Baflo met een versiering bestaande uit een schijf/rad met acht spaken. En bij Wijk-bij-Duurstede vond een amateur-archeoloog met een metaaldetector zeer onlangs een zilveren fibula met een achtspakig rad. Beide fibulae worden in de 6e eeuw gedateerd!

Baflo Fibula uit de 6e eeuw.
Leiden RMO b 1966/11.2

Fibula, zilver, ingelegd met parel en almandijn. 5e-6e eeuw. Vondst R.Dorresteijn 2017. foto A.van de Bunt.

 

 

De vraag is nu wat de betekenis van deze versieringselementen is. Per definitie zijn de grafplaten ontstaan in een christelijke context, maar net als met andere elementen in het vroege christendom, bleven diep ingewortelde restanten van een eerdere godsdienst nog lang bestaan. Pas op zijn vroegst in de 13e eeuw begint de christelijke traditie echt volledig de overhand te nemen, dus met een datering in de 10e-12e eeuw is het wel mogelijk dat de elementen verwijzen naar een nog op dat moment reëel gevoelde traditie. Ze verwijzen dan denkelijk naar de kringloop van het leven.

Wordt vervolgd dus!

 

 

Noten

©2017 Judith Schuyf

 

Ik dank het Stadsarchief Vlaardingen, Jeroen ter Brugge en Albert Reinstra (RCE) voor hulp en informatie bij het onderzoek voor dit artikel.

  1. Met name Martin, H. (1957) Vroeg-middeleeuwse zandstenen sarcophagen in Friesland en elders in Nederland. Drachten.
  2. Nisters-Weisbecker, Andrea (1983) Grabsteine des 7.- 11. Jahrhunderts am Niederrhein. Bönner Jahrbücher 183, 175-327.
  3. Heimberger, H. (1956) Frühmittelalterliche Trapezsärge aus dem Odenwald. Badische Heimat 36, 125-138.
  4. Kuiken, Kees (2004) Middeleeuwse zandstenen grafkisten uit Westerlauwers Friesland. De Vrije Fries 84, 9-28.
  5. Waslander, Christine en Peter Homan (1991) Dekselse graven. Noord Nederlandse grafsculptuur in de elfde en twaalfde eeuw. Meppel.

Vittorio Bolaffio (1883-1931)

Trieste is de oude havenstad van het Hapsburgse rijk, nu op de grens van drie landen en een wonderlijke mix van culturen. Vooral in de eerste helft van de 20e eeuw was er een rijk literair en artistiek leven. James Joyce woonde er vrij lang. Trieste was ook de thuisstad van puissant rijke handelaren en scheepsmagnaten, zoals baron Revoltella, de bedenker van het Suez kanaal. In zijn oude woonhuis met moderne annex is thans het Revoltella museum ondergebracht, met een grote verzameling figuratieve Italiaanse kunst rond het fin-de-siecle. Op zich al fascinerend, Revoltella woonde daar met zijn moeder, en had in de bovenkamers van het paleisje een soort camera obscura’s laten aanbrengen, waardoor hij vanuit zijn stoel precies kon zien wie er op straat liep. Onder de honderden schilderijen in het museum vond ik ook bijgaande. Ze bleken geschilderd door Vittorio Bolaffio, van wie er zelf ook een portret in de collectie hing. Maar wie was Bolaffio?

Vittorio Bolaffio

Zelfportret van Bolaffio

Bolaffio werd geboren in het voormalige ghetto van Gorizia, de grensplaats aan de Italiaanse kant van de grens met Oostenrijk-Hongarije. Hij was de zoon van een succesvolle wijnhandelaar. Als kind wordt hij omschreven als gentile, generosa e sognatrice. Gelukkig was zijn vader vermogend genoeg dat de zoon zich aan de schilderkunst kon wijden. Hij studeerde eerst in Florence en vanaf 1910 in Parijs, waar hij Amedeo Modigliani ontmoette, door wie hij zeer beïnvloed werd, en in het voetspoor van Modigliani, ook door Seurat, Cezanne en Matisse. In 1912 monsterde hij aan als stoker op een schip van de Oostenrijkse Lloyd, op weg naar India en het Verre Oosten. Daar begin hij een reeks schetsen van de lagere klassen, havenscènes en arbeiders. In 1913 keerde hij terug naar Italië en vestigde zich in Trieste. In de Eerste Wereldoorlog vocht hij mee aan de Oostenrijkse kant (Trieste was toen nog Oostenrijks). Na de oorlog leidde hij een stil en teruggetrokken leven. Hij schilderde veel portretten vooral van leden van de joodse gemeenschap in Trieste, die toen nog aanzienlijk was. De uitbouw van de haven in Trieste werd eveneens vaak door hem afgebeeld.

2014_Bolaffio2 2014_TBolaffio-1_09222014_3009113.NEF_0021
Ook nam hij deel aan het bloeiende culturele leven in Trieste, dat bij voorbeeld James Joyce al had aangetrokken. Het culturele leven speelde zich vooral af in koffiehuizen/café’s, zoals het bekende Garibaldi café. Hij raakte daar nauw bevriend met onder andere Virgilio Giotti, Giani Stuparich, en de beeldhouwer Ruggero Rovan en vooral met de dichter Umberto Saba. Bolaffio vormde de inspiratie voor diens gedicht La Brama (de Lust). Hij schilderde een beroemd portret van Saba (begin jaren 20). Over Bolaffio’s seksuele voorkeur is officieel niets bekend, maar er is niets in zijn biografie dat tegenspreekt dat hij homoseksueel was. Hij wordt beschreven als stil en teruggetrokken. Hoewel hij ook veel vrouwenportretten heeft geschilderd (en vaak hele fraaie) worden vooral zijn vriendschappen met mannen genoemd, zoals met Saba. De getrouwde Saba zat lang diep in de kast, maar werd later bekend door zijn novelle Ernesto, geschreven in 1953 maar pas in 1975, lang na zijn dood gepubliceerd. Ernesto is een jongen van bijna 16 die een relatie heeft met een arbeider van 28. Hij heeft regelmatig seks met de man, maar stopt met hem te ontmoeten na een prettige ervaring met een vrouwelijke prostituee. Maar het jaar erop ontmoet hij tijdens een concert een mooie 15 jarige vioolspeler, Emilio, bijgenaamd Ilio. De lezer maakt er uit op dat Ilio de rest van zijn leven voor Ernesto viool zal spelen.

2014_Triëste_09222014_3009115.NEF_0023

Bolaffio overleed in 1931 aan de tering, in het bijzijn van zijn vriend de schilder Santo Lucas (1898-1980) Saba schreef over die laatste periode in de Corriere della Sera van 3 oktober 1946: “ Bolaffio began to tolerate, even to desire to be praised during his last illness, as if his art had been a fault and the imminence of death had given him absolution. Then became attached to the few paintings he had made, with so much anxiety and pain. He was wearing his room dying of paintings sold (?) or given away to friends, looked at them for a long time with eyes softened, he said: “Yes, they are beautiful, they are just beautiful …” (de engelse vertaling van google is beter dan de nederlandse, vandaar…)

Op YouTube is een filmpje te vinden met schilderijen van Bolaffio: www.youtube.com/watch?v=8QeJb2DePE4

Ook gedurende zijn leven exposeerde hij alleen in lokale musea in Trieste, Gorizia en Padua. In 1932 na zijn dood kende de gemeente Trieste hem tijdens een eerste retrospectieve tentoonstelling een gouden herdenkingsmedaille toe; het retrospectief werd vervolgens ook in Milaan getoond. Er volgden meer retrospectieven; Het Revoltella museum in Trieste wijdde in 2011 een overzichtstentoonstelling aan Bolaffio.

 


Amersfoort en daarna

Op Roze Zaterdagen had ik jaren lang de neiging om met een button op te lopen met de tekst

“Ik heb Amersfoort overleefd”

 

26 juni 1982

Een mooie zonnige dag. Het is ‘roze zaterdag’. Het Roze Front heeft Amersfoort gekozen, een kleine stad met een overzichtelijke middeleeuwse binnenstad niet al te ver van Amsterdam af en makkelijk per trein bereikbaar. Wat het Front zich niet – of niet goed- realiseert, is dat Amersfoort op de rand van de bible belt ligt.

Het is de bedoeling dat de bijna 5000 deelnemers in drie afzonderlijke optochten naar het centrum van de stad, het Onze Lieve Vrouweplein, lopen. Twee ‘gemengde’ stoeten, één pottenstoet.

De pottenstoet komt het eerst in de problemen. De vrouwen worden uitgejouwd, met eieren en tomaten bekogeld en bedreigd door een groeiend aantal opgeschoten jongens, veelal afkomstig uit dorpen in het achterland van Amersfoort. De vrouwen gaan dichter bij elkaar lopen, steunen elkaar, maken het ‘vagina’ teken met de handen, dat in die tijd erg populair is onder lesbo’s.Potten eerst

Ik, jong docent homostudies aan de Universiteit Utrecht, ben er één van.

Op de film, die een van de deelnemers van de tocht heeft gemaakt, is goed te zien hoe de inwoners van Amersfoort met groeiend onbehagen naar te tocht kijken. Alleen de eerste minuut is uit de oude film.Roze front spandoeken

Het motto van de tocht is ‘Opgevoed tot hetero, homo/lesbo durven zijn’.

 

 

Daarom is een hoofdrol weggelegd voor de homogroepen in de onderwijsbonden, de ABOP in het bijzonder.

Lineke Roseboom

Lineke Roseboom op het podium

 

Lineke Roseboom is docente en is gevraagd om als vooraanstaand lid van de ABOP het woord te voeren op het hoofdpodium op het Onze Lieve Vrouwenplein. De jongeren hebben al geprobeerd om de geluidsinstallatie te vernielen. Enkele demonstranten worden in de gracht gegooid. Lineke kijkt vanaf het podium in de ogen van de relschoppers en schrikt van de haat die ze in hun ogen ziet. Het beeld zal haar niet meer loslaten.

Als ratten in de val

Het plein loopt steeds verder vol met demonstranten die, hoewel angstig, denken dat zij met z’n allen veiliger en sterker zijn. De relschoppers proberen de demonstranten te omcirkelen, en klimmen zelfs op de daken van de huizen rondom het plein. De politie besluit de toegangen tot het plein af te grendelen. Naar verluid omdat zij in de mening verkeren dat de homo’s de agressors zijn. Dan voelen we ons pas echt ‘als ratten in de val’ zitten.

Els Veenis, een van de demonstranten, wordt later door het AD geïnterviewd:

Ik probeerde met een van die braniejongens te praten, maar hij bleef maar zeggen dat ik een vieze, stinkende, lesbo was, dat ik maar eens stevig geneukt moest worden en vooral dat ik dood moest. Toen werd ik bedreigd met stenen die ze uit de straat hadden losgewrikt, en ze gooiden levende maden over me.

2016_14072016_0D47135

Een tijd staan we zo op het plein. Mijn vriendin is doodsbenauwd en wil eigenlijk weg. Maar ze realiseert zich ook ‘Als ik nu wegloop, blijf ik weglopen’ – dit wordt later de kop in het AD. Uiteindelijk weten we te ontsnappen via een kleine voetbrug die ergens over de gracht ligt en aan de aandacht van iedereen lijkt te zijn ontsnapt. We hergroeperen in het restaurant Kobus-aan-de-Poort, een toenmaals bekende eetgelegenheid in Amersfoort. Met zestien man/vrouw eten we wat. De ontlading komt als een van ons als dessert ‘een groot ijs’ bestelt. Het ijs is reusachtig, het zit in een grote glazen schaal met alle parapluutjes, en vuurspuwende stokjes die je maar hebben kunt. Mijn kennis, Herman, staat op en laat ons trots zijn ijs zien. Wij klappen. Dan gebeurt het wonder: het hele restaurant staat op en klapt mee. Kennelijk weten ze wat er gebeurd is.

Roze Zaterdag Amersfoort

Hennie en Majo van het Lesbisch Archief Leeuwarden zijn in de voorste rij te vinden

2016_15072016_0D471512016_15072016_0D47182

Maar de ellende is nog niet over. Na het eten is er nog een ‘feestelijke’ avond in De Flint, waar we, al is het met twijfel, naar toe gaan. Maar de Flint wordt belegerd door de jongeren, en in de loop van de avond groeit hun aantal weer verder. De politie wil ze niet verspreiden. In plaats daarvan probeert ze later de niet-zo-feestvierende demonstranten in groepjes de stad uit te leiden. Die voelen zich daar behoorlijk geïntimideerd door.

 

SEK 1982

SEK kopt: de kei, de kater, de kick (juli 1982)

 

De kater

‘Amersfoort’ veroorzaakt een schok in homoland, zoals dat toen heette. Toch kon het niet helemaal als een verrassing zijn gekomen. De eerste demonstraties – 1977 in Amsterdam, door potten georganiseerde demo tegen de Amerikaanse sinasappelkoningin Anita Bryant; 1978 in Amsterdam als ‘Gay Pride day; 1979 in Roermond tegen bisschop Gijsen, waar de term ‘Roze Zaterdag’ voor het eerst werd gebruikt – zijn weliswaar zonder al te grote problemen verlopen, maar in 1981 gaat het in Den Bosch ook al mis. Jongeren belagen de demonstranten op de Parade. De relletjes worden aanvankelijk als incidenten beschouwd. Het gaat immers goed met de emancipatie? Er zijn tientallen clubjes en organisaties, er zijn homostudies, men voelt zich veilig. Daarom is de kater groot, zoals te zien is in het blad van het COC, SEK.

 

Overheid, doe wat!

Het COC neemt het voortouw samen met haar bondgenoten om de overheid aan te spreken op haar falende beleid om homoseksuelen te beschermen en de oorzaken van discriminatie tegen te gaan. De werkgroep ‘Amersfoorts beraad’ stelt de nota ‘Homoseksualiteit in het overheidsbeleid’ (in de wandeling de HiHo-nota) op (1983). De regering wordt opgeroepen om een beleidsprogramma op te stellen waarin discriminatie, en ‘heteroseksisme’ als de oorzaak van discriminatie worden bestreden, en gelijkheid in wetgeving (met name ten aanzien van relatiewetgeving en gelijke behandeling) wordt ingevoerd. Ook de houding van de politie moet dringend veranderen.2016_15072016_0D47154

2016_15072016_0D47175

De overheid reageert aanvankelijk traag. Wel geeft de verantwoordelijk staatssecretaris van emancipatiezaken bij SZW, mr Annelien Kappeyne van de Copello, in augustus 1983 geld aan de Interfakultaire Werkgroep Homostudies in Utrecht, om een inventarisatie te maken van gevallen van discriminatie van homoseksuelen m/v. Het onderzoek verschijnt in 1984 onder de titel Het topje van de ijsberg.

 

Pas in 1986 komt de regering met eigen nota Overheid en Homoseksualiteit. Er komt een coördinerend minister voor homo-emancipatie. De keuze voor de christelijke minister van WVC, Elco Brinkman valt niet bij iedereen in goede aarde. 25 mei 1987 organiseert het ministerie een oploopje waarin voor het eerst een brede vertegenwoordiging van de homobeweging en een aantal individuele vrouwen aan de minister mogen vertellen hoe de situatie is en wat er moet gebeuren.

Judith Schuyf

Judith Schuyf vertelt minister Brinkman wat er volgens Homostudies moet gedaan worden, mei 1987

Vanaf dat moment komt er een steeds inniger relatie tussen de rijksoverheid en de homobeweging, waarin de bouwstenen voor het huidige beleid in Nederland worden gelegd. De basis is dat ieder departement verantwoordelijk is voor het emancipatiebeleid op eigen terrein. Daartoe wordt de IWOH opgericht, waarin de contactambtenaren van alle ministeries zitten.

De samenwerking overheid-beweging was aanvankelijk vrij uniek in Europa. Het heeft voordelen, maar ook nadelen opgeleverd. Daarover een andere keer.

 

Waarom dit verhaal?

Op de conferentie Prides Out There, georganiseerd in het kader van Europride 2016 door de Oude Lutherse kerk in Amsterdam samen met o.a Hivos, Human Rights Watch en Art 1, heb ik verteld over de Pride die op mij de meeste indruk heeft gemaakt. Omdat uit de zaal bleek dat bij een nieuwe generatie de geschiedenis in de vergetelheid raakt, schrijf ik het op. Binnenkort volgen meer posts over veertig jaar emancipatiegeschiedenis in Nederland. Ook al voelt dat een beetje als ‘grootmoeder vertelt’.

De meeste foto’s bij dit artikel zijn gemaakt door Lineke Roseboom. Ze zijn bijzonder, want in het publieke domein zijn er nauwelijks foto’s over Amersfoort te vinden. Kennelijk waren we in dit ernstig pre-selfie tijdperk drukker bezig met demonstreren dan met foto’s maken. Twee andere foto’s zijn afkomstig uit het herdenkingsnummer van de SEK. Pixelpolder/Sjaan Vanderjagt digitaliseerde de foto’s. Meer over de politieke relatie overheid/homobeweging is te lezen in een artikel van Joke Swiebel.

 


Dilemma’s rond een website

Momenteel maak ik de inhoud van een nieuwe digitale tentoonstelling van het Nationaal Comite 4en5 mei rond het thema Homoseksualiteit in de tweede wereldoorlog. Het Comité is met die digitale tentoonstellingen  begonnen om meer aspecten rond persoonlijke levens gedurende de oorlog aan de orde te kunnen stellen voor een uiteenlopend publiek. Visuele en schriftelijke bronnen krijgen veel aandacht.

Met dit onderwerp heb ik me de afgelopen twintig jaar af en aan beziggehouden en alle haken en ogen er omheen zijn me goed bekend – maar dat wil niet zeggen dat ze opgelost zijn, al is de focus wellicht wat verlegd. In willekeurige volgorde zijn dit enkele dilemma’s:
– Wat hebben homoseksualiteit en de tweede wereldoorlog eigenlijk met elkaar te maken?
– In Nederland is er toch nauwelijks iemand vervolgd wegens homoseksualiteit, dus waarom moet je hier aandacht aan besteden?
– Kan je de lotgevallen van mensen in de oorlog eigenlijk wel schetsen rond een beperkt aspect als seksuele voorkeur? En wie komt er dan wel of niet in aanmerking?

Geen ruimte voor afwijkend gedrag

Raid op het Institut fuer Sexualforschung te berlijn, 1933

Raid op het Institut für Sexualforschung te Berlijn, 1933. Dit instituut onder leiding van Hagnus Hirschfeld was een van de eerste slachtoffers van de homohaat van de nazis.

Hugo Praebitzer

Bij veroordeling tot het concentratiekamp werden foto’s van de gevangenen gemaakt, met de reden van hun veroordeling erbij. Zo kennen we enkele homoseksuele mannen, zoals deze Hugo Praebitzer

Roze driehoeken

Systeem van driehoeken waarmee de nazi’s de verschillende soorten kz gevangenen onderscheiden. Homoseksuelen hadden doorgaans een roze driehoek, als ze Duitser waren.

Seksualiteit en genderpolitiek waren een belangrijk aspect van de ideologie van de nationaal-socialisten. De nazi-staat was er mee verweven. Daarbij hanteerden ze uiterst traditionele en conservatieve opvattingen over genderstereotyp gedrag en gendergebonden taken. De grensbewaking was gebaseerd op intimidatie, terreur en uitsluiting. Zeker in het begin van de nationaal-socialistische periode, eind jaren twintig en begin jaren dertig, was er een diffuse grenslijn tussen wat acceptabel en niet-acceptabel was, tussen de kameraadschappelijke erotiek van de Männerbund en de gevaren voor het voortbestaan van het ‘gezonde volk’. De eerste homoseksuelen die gearresteerd werden en in de vroege concentratiekampen terecht kwamen waren travestieten en hoerenjongens. Veel homoseksuele mannen werden aangegeven door hun buren. Vrouwen werden geacht hun mond te houden en zich voort te planten. Wie dat weigerde wachtte straf als ‘asociale’.

Relevantie voor Nederland

De situatie in Nederland aan de vooravond van de Duitse bezetting was niet bepaald homovriendelijk. In het wetboek van Strafrecht stond paragraaf 248bis, die seksueel contact tussen een meerderjarige en een minderjarige verbood. De grens van meerderjarigheid lag bij 21 jaar. Wanneer de betrokken minderjarige jonger dan 16 jaar was, trad artikel 247 in werking. De artikelen golden voor beide geslachten. Hoewel meerderjarige homoseksuelen dus op papier weinig te duchten hadden, viel dat in de praktijk tegen. Veel politiekorpsen hielden lijsten van homoseksuele mannen bij, bij voorbeeld wanneer zij betrapt werden op overtreding van het beruchte ‘5 minuten artikel’ bij waterplaatsen. Ook werden mannen (en ook wel vrouwen) aangegeven bij de politie door familie of beuren, ook al hadden ze niks misdreven.

Tiemon Hofman rond de tijd dat hij gearresteerd werd

Tiemon Hofman rond de tijd dat hij gearresteerd werd

Meteen na de Duitse bezetting werd al heel snel de Duitse verordening 81/40 uitgevaardigd, die alle seksueel contact tussen mannen verbood. De uitvoering werd overgelaten aan de Nederlandse politie, tenzij er sprake was van een Duits belang, bij voorbeeld wanneer een van de betrokkenen een Duitser was, of wanneer de betrokkene joods was. Ook mensen die opgepakt werden wegens een overtreding, zoals luisteren naar de Engelse radio, liepen een risico aan de SD te worden overgedragen. Zo kwamen de lijsten die de Nederlandse politie had, handig van pas. Op basis van verordening 81/40 werden, net als in Duitsland, vooral jonge jongens opgepakt, die men verdacht in the ‘business’ te zitten. Zo werd ook Tiemon Hofman (link) opgepakt.

 

Naar het concentratiekamp

Joden die de politie kende als homoseksueel, werden versneld opgepakt en aan de SD overgedragen. Zo weten we van tenminste 14 joodse homoseksuelen die vermoord werden in Auschwitz of Sobibor. Om kwam ook Percy Gothein, een Duitse schrijver die tijdelijk in Nederland verbleef. In Duitsland werd hij al in de gaten gehouden wegens homoseksueel gedrag. Daarnaast had hij contacten met enkele Duitse verzetsgroepen tegen Hitler.

Castrum peregrini in 1943. Onderste rij 2e v.l.:Gothein; bovenste rij geheel links: Vincent Weyand.

Castrum Peregrini in 1943. Onderste rij 2e v.l.:Gothein; bovenste rij geheel links: Vincent Weyand.

Of dit de reden was van zijn arrestatie is niet duidelijk, volgens andere berichten werd hij op 30 juli 1944 ‘in flagrante’ opgepakt, in bed met twee jongens. Inderdaad werden tegelijkertijd twee jongens opgepakt, van wie een, de half-joodse Vincent Weyand in februari 1945 in Buchenwald stierf. Gothein overleed in concentratiekamp Neuengamme. (Zie  Marita Keilson-Lauritz Centaurenliefdee, in Het begint met nee zeggen, 2006). Tot zover zijn er voor mij weinig dilemma’s over de relevantie van homoseksualiteit voor een deel van de slechte afloop van deze oorlogsgeschiedenissen.

Verzet

De geschiedenis van de tweede wereldoorlog is er echter niet alleen een van vervolging, maar ook van verzet. Daar wordt het dilemma groter. Want in hoeverre was homoseksualiteit een factor bij de beslissing tot verzetsdeelname? En was seksuele voorkeur een relevant gegeven in het leven van de betrokkene?
Er is slechts één verzetsdeelnemer bij wie dit onherroepelijk vast staat: beeldend kunstenaar Willem “Tiky” Arondéus, een van de deelnemers aan de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister op 27 maart 1943. Er waren meer leden van de verzetsgroep van Gerrit van der Veen homoseksueel, sommigen zoals Frieda Belinfante vrij openlijk, anderen niet open, maar Arondéus vraagt vlak voordat hij geëxecuteerd zal worden op 1 juli 1943 aan zijn vriendin Lau Mazirel de buitenwereld te laten weten ‘dat homo’s niet minder moedig hoefden te zijn dan andere mensen.’

Vriendenkring. Geheel rechts Willem Arondeus

Vriendenkring. Geheel rechts Willem Arondéus

Om deze groep te illustreren besteden we in de tentoonstelling aandacht aan Arondéus en Belinfante. Er waren andere verzetsmensen, van wie we nu weten dat ze homoseksueel waren, maar waar we niet van weten hoe relevant dat voor hun verzetsdeelname was. Willy Niemeijer, de Groningse industrieel, kwam om in Neuengamme. Han Stijkel was een vriend van jhr Schorer, de oprichter van de eerste Nederlandse homorechtenorganisatie, het NWHK, en was al vroeg bezig met de strijd tegen het fascisme, ook in Spanje. Hij hielp Schorer in mei 1940 het archief en de ledenadministratie van het NWHK te vernietigen. Later had hij zijn eigen verzetsgroep, die informatie naar Engeland overbracht. Ook hij werd in juli 1943 gefusilleerd. Van verzetsman Tom Rot weten we, dat hij zijn homoseksuele activiteiten in de oorlog bewust stopzette, om geen extra risico te lopen.

Verschillende mensen van het eerste uur van het COC hebben in het verzet gezeten. Dat heeft er mede toe bijgedragen dat het COC na de oprichting eind 1946, dit jaar 70 jaar gelden, tamelijk welwillend door de autoriteiten – nog steeds niet bijster homovriendelijk – werden bejegend. Hun ervaringen in de oorlog zullen zeker bijgedragen hebben aan het nemen van meer maatschappelijke risico’s na de oorlog. Van Benno Premsela, die ondergedoken zat omdat hij joods was – kennen we de uitspraak dat hij zich na de oorlog niet meer verstoppen wilde. Hij had het overleefd en putte daaruit grote kracht.

Waar zijn de vrouwen?

Tot nu toe is slechts de naam van één vrouw gevallen: Frieda Belinfante. Merkwaardigerwijs was zij ook op de grote tentoonstelling over de Duitse LHBT geschiedenis, die afgelopen jaar in het Deutsches Historisches Museum in Berlijn werd gehouden, de enige vrouw van wie de oorlogsgeschiedenis werd getoond.
Waren er dan geen andere vrouwen? Dat brengt mij op het grootste dilemma. Waar zijn de vrouwen?
In de eerste decennia na de oorlog was er vrijwel geen aandacht voor het verzetswerk van vrouwen. Ze werden, net als in de rest van de maatschappij, in ondergeschikte zwijgende posities geplaatst, zoals koerierster. Het duurde tot ver in de jaren zeventig voor er – onder invloed van het feminisme – iets meer onderzocht werd over de rol van vrouwen in het verzet. De laatste jaren heeft Marian Schwegmann, tot voor kort directeur van het NIOD, enkele malen op deze omissies gewezen. Maar – met uitzondering van Frieda Belinfante – lijken ze allemaal heteroseksueel, of misschien wel helemaal niet seksueel. Het is in ieder geval een feit dat de verzetsvrouwen zich daar zelf ook niet over hebben uitgesproken. Toch lopen er in een aantal van deze levensgeschiedenissen opmerkelijk veel ‘significante anderen’ van het vrouwelijk geslacht rond. Daar zit dus het dilemma. Want wie zijn wij om te speculeren over iets waar ze zich zelf nooit over hebben uitgesproken?

Ru Pare, pasfoto jaren 30.

Ru Paré, pasfoto 1939.

De discussie over de seksuele voorkeur van vrouwen in het verleden is bepaald niet nieuw. Ook ten aanzien van de geschiedenis van het vroege feminisme in de 18e en 19e eeuw speelde het, zeker wanneer het over periodes ging voor de ‘uitvinding’ van homoseksualiteit als identiteit. ‘Does it matter if they did it?’ vroeg de Engelse lesbische theoretica Sheila Jeffreys zich in 1989 af (Sheila Jeffreys, ‘Does It Matter If They Did It?’, in Lesbian History Group, eds., Not a Passing Phase: Reclaiming Lesbians in History 1840- 1875. London: Women’s Press, 1989))
Er waren allerlei redenen waarom vrouwen minder zichtbaar waren dan homoseksuele mannen, die eerder te maken kregen met het medisch en juridisch vertoog rond homoseksueel gedrag, en met de noodzaak dat gedrag in de publieke ruimte uit te oefenen. Vrouwelijke levens waren minder publiek, vrouwelijk verlangen meer diffuus en tot in de jaren zestig van de vorige eeuw heerste wat ik in mijn proefschrift ‘Een stilzwijgende samenzwering’ heb genoemd.

Wat opvalt aan verzetsvrouwen is hun onafhankelijkheid en het lef dat zij hadden om in het verzet te gaan, sommigen in het gewapend verzet, anderen in de beleidssfeer of in het kinderwerk. Sommigen deelden hun leven met een vriendin, sommigen gingen ook om met mannen. Over wat ze deden, of niet deden, lieten ze zich niet uit. Maar het zou het totale verhaal ook geen recht doen, als we geen aandacht aan enkele van deze vrouwen besteden. Dus komen Ru Paré en Do Versteegh aan de orde, evenals Jacoba van Tongeren en Gezina van der Molen. Van der Molen raakte na de oorlog in opspraak omdat ze probeerde de joodse kinderen die mede dank zij haar gered waren, in christelijke gezinnen onder te brengen.

Wie gingen er in het verzet?

Aanvankelijk meenden men dat slechts een beperkt deel van de Nederlanders in het verzet gezeten heeft. De definitie van wat verzet is, verandert echter, en wordt breder. Ook de winkelier, die een keer eten voor een onderduiker achterhield, deed een verzetsdaad. Sommigen rolden vanzelf in het verzet; voor anderen was het een bewuste keuze. Gelegenheid, mogelijkheid, en een cultuur van in verzet komen hebben naar mijn mening wel degelijk een rol gespeeld bij deze keuze. Zo’n cultuur was bij voorbeeld bij de communisten en de gereformeerden. Studenten, kunstenaars hadden vaak geen gezinsverantwoordelijkheid, wat het ook makkelijker maakte. Homoseksuelen waren ook voor de oorlog al illegaal, en gewend om een dubbelleven te leiden. Dat wil niet zeggen dat verzetsdeelnemers altijd alleen uit deze groepen afkomstig waren, maar wel dat zij relatief oververtegenwoordigd zijn geweest.

De website zal naar verwachting in de eerste week van augustus 2016 online gaan.


Tafelbergen

Aan de weg van Blaricum naar Naarden (de Naarderweg) bevindt zich, even ten westen van het dorp Blaricum een bord dat verwijst naar restaurant De Tafelberg. Er is zelfs een parkeerplaats aan de Blaricummerheide met als naam De Tafelberg en een informa­tiebord geeft aan waar in het terrein deze Tafelberg (36,80 boven NAP) is te vinden. Wat is een tafelberg eigenlijk? En zijn er meer?

Ja, er zijn er meer. Ze komen vooral in het Gooi voor. In de nabijheid van de Tafelberg vinden we nog zeker drie andere tafelbergen, en wel de de Euken­berg (op de eng van Huizen), de Sijdjesberg (bij het zwembad ten zuidwesten van Huizen). Mogelijke exemplaren zijn de Leeuwen- of Venusberg (vlakbij Oud Valkeveen halverwege Naarden-Huizen), de Trapjesberg en de Zwarte berg/Hogenberg.

Door hun opvallende vorm trokken tafelbergen reeds vroeg de aandacht zodat ze reeds in de 19e eeuw als hei­dense offerberg beschouwd werden. Hun datering en functie zijn echter onduidelijk. Een drietal hypotheses ten aanzien van hun functie worden regelmatig genoemd: ze kunnen een religieuze functie hebben gehad, een militaire functie en een politieke.

Vorm: Tafelbergen zijn volledig kunstmatig, of – waarschijnlijker – omgevormd vanuit een natuur­lijke heuvel tot een conische heuvel met afgeplatte boven­kant. Dat verklaart ook de naam. Vaak ligt er beneden aan de voet van de berg een geëgaliseerd terrein, soms nog door een zichtbare wal omgeven.

Datering: Ze zijn in ieder geval oud. De eerste vermelding van het fenomeen tafelbergen dateert al uit kort na 900, namelijk in een 10e eeuwse goederen­lijst van het klooster Werden, ende kiric land fan Almeri te Tafalbergon. Tafalbergon is – in tegenstelling tot wat vaak gesuggereerd wordt – een 3e naamval enkelvoud, een zogenaamde locatief (zie het Woordenboek der Nederlandse taal, onder Tafelberg). Er is dus sprake van een enkele Tafel­berg. Welke Tafelberg bedoeld wordt, is niet duidelijk. Door verschillende auteurs is er op gewezen dat in de vroege middeleeuwen het centrale deel van het Gooi grotendeels onbebost is geweest, zodat je van velerlei plekken een vrij uitzicht had op de stuwwal en de toppen van de hoogste heuvels op de stuwwal (Koopman, 2013 hier de weblink opnemen). Dat moet voor alle genoemde Tafelbergen gegolden hebben, maar bij voorbeeld ook voor een hoog punt aan de zuidzijde van de Gooische hei, de huidige St Jansberg in Laren.

Het betreft hier een gebied (Niftarlake/Nardinclant) dat in de vroege middeleeuwen op veel plekken bewoond is geweest, en politiek een rol van betekenis speelde als thuisbasis van de machtige vroeg-middeleeuwse familie van de Wursingen (bekendste telg: Liudger) en later als onderdeel van het graafschap Hamaland. Elten. Archeologische vondsten op verschillende plekken ondersteunen het idee van een vroege bewoning in delen van Niftarlake/Nardinclant, zoals een grafveld uit de vroege middeleeuwen aan de Liebergerweg te Hilversum, en verschillende metaal en muntvondsten uit de vikingperiode bij het nabijgelegen Bikbergen. Een niet bevestigd gerucht over oude zwaardvondsten bij het Janskerkhof te Laren zou op de aanwezigheid van een grafveldje kunnen duiden. AWN Naerdincklant verrichtte in 1989 een opgraving in de stuwwal bij de Tafelberg. Daarbij kwamen scherven te voorschijn van Pingsdorf aardewerk uit de periode 1000-1200. (Cruysheer en Van der Tuuk 2015).

Geen van de tafelbergen lijkt zijn oorspronkelijke (middeleeuwse?) vorm nog te hebben. In de loop van de eeuwen is er heel wat vergraven, afgegraven, opgehoogd….

De Tafelberg

De Tafelberg heette tot de 17e eeuw Kooltjesberg, omdat er een baken op stond waarvan het vuur op kolen werd gestookt. Omstreeks 1650 werd er een grote stenen oriëntatietafel boven op geplaatst, wat de origine van de naam Tafelberg zou zijn. In 1921 werd besloten een waterreservoir bovenop de Tafelberg te plaatsen met daar bovenop een voor het publiek toegankelijke uitzichttoren. Mogelijk werd bij het vergraven van d2015_Copyright-Pixelpolder_02032015_Blaricum__0D43126.NEF_0007e berg voor dit reservoir de vuurstenen bijl gevonden die thans in het Goois Museum bewaard wordt. De ROB vond in 1962 op de heide rond de Tafelberg een groot aantal scherven uit de vroege bronstijd en de ijzertijd. Op de noordhelling van de Tafelberg zelf kwamen een zestal crematies uit de late IJzertijd te voorschijn. (De vondsten zijn helaas zoek op dit moment en niet uitgewerkt) (Kobalowitz 2014, 33, in dit tijdschrift te vinden). Het onderzoek leverde verder helaas geen nieuwe inzichten op over ouderdom en functie van de TafelbergSchoemaker-tafelberg1727.

Kobalowitz meent op de kaart van Ketelaar uit 1769 een spiraalvormig pad rondom de Tafelberg te zien. Door alle vergravingen is dat tegenwoordig niet meer te zien. Op de pentekening die de Schoemakers voor hun Atlas van Noord-Holland in 1727 van de Tafelberg maakten is van een spiraalvormig pad in ieder geval niets te zien: de heuvel rijst als een steile bult uit het vlakke landschap op, bekroond door de uitzichttafel en bereikbaar via een pad dat zeer steil recht omhoog loopt

Op de ansichtkaart uit 1905 die Kobalowitz toevoegt, is dat spiraalvormige pad niet overtuigend zichtbaar. Dat wil niet zeggen dat het er niet geweest is, maar dan moet het na 1726 zijn aangelegd. Het aanleggen van spiraalvormige paden op kunstmatige heuvels was een verschijnsel dat we zeker uit de late 17e en 18e eeuw kennen als onderdeel van de Engelse landschapsstijl. Het is onder meer nog te zien op de Seringenberg van het Landgoed De Horsten in Wassenaar (aangelegd in 1791), en op de Keienberg bij Landgoed Beekhuizen  in Velp (1682) waar het onlangs door eigenaar Natuurmonumenten voor veel geld gerestaureerd is. Tegenwoordig kent men aan dit soort spiraalvormige paden graag een spirituele betekenis toe, maar het is de vraag of het deze betekenis in de 18e eeuw ook had, en al helemaal of men daarbij een prehistorisch (Engels) voorbeeld voor ogen had.

De Sijdjesberg

De Sijdjesberg bevindt zich achter het zwembad in Huizen (dat bij de aanleg in 1953 Sijsjesberg is genoemd). Het is een duidelijke, nu nog 10-15 meter hoge heuvel, die echter erg verwaarlo2015_Huizen_Copyright-Pixelpolder_02032015_0D43161.NEF_0030osd is. Over de top wordt met regelmaat met motoren gecrost.

Op topografische kaarten staat de Sijdjesberg afgebeeld als een markante hoge ronde bult in het landschap. Ook de omgeving van de Sijdjesberg is erg interessant, omdat aan de noordzijde de berg thans omgeven is door een vlak ovaalvorming terrein, op sommige plaatsen nog door een wal afgegrensd.

Het is echter de vraag of dit de oorspronkelijke vorm van de Sijdjesberg is geweest. De zandgronden bij Hilversum, Huizen en Naarden oefenden al in de 17e een grote aantrekkingskracht uit op projectontwikkelaars. Aanvankelijk werden ze afgegraven om het terrein rondom de vesting Naarden zo te verlagen dat het gemakkelijk onder water kon worden gezet als de vijand kwam, maar al spoedig bleek het zand ook uitermate handig bij de stadsuitbreidingen van Amsterdam. Het afzanden ging eeuwenlang door want er was veel geld mee te verdienen. In 1927 werd een grote kuil op de Tafelbergheide gegraven voor de aanleg van de A1.(zie voor een overzicht Sander Koopman Zandwinning in het Gooi  )

Ook het gebied rondom de Sijdjesberg bleef niet ongemoeid, maar vrijwel alle plannen werden uiteindelijk niet uitgevoerd of half voltooid. In 1932 kocht de gemeente Huizen het terrein rondom de Sijdjesberg voor een bedrag van 100.000 gulden, met het doel werklozen in het kader van de werkverschaffing aldaar een meer te laten uitgraven dat 33 meter diep moest worden (De Gooische Post, 28/9/1932). Het werk werd wel aangevangen, want in december 1933 meldt De Bussumsche Courant in een beschrijving van een wandeling naar de Sijdjesberg “Zijn toch al niet erg imponerende hoogte legt het nu haast af tegen de kunstmatig opgeworpen zandbergen uit den toekomstigen vijver er omheen” (Bussumsche Courant 2/12/1933).

Sijdjesberg wandeling

Bussumsche Courant 17 april 1930

wekverschaffing Huizen

De Gooische Post , 28 september 1932

In 1933 werd er een smalspoortje aangelegd van de berg naar de haven van Huizen, om de ca 700.000 kuub zand af te voeren. De financiering van het project gaf, ook toen al, de nodige hoofdbrekens en verwacht werd dat de opbrengst van het zand niet tegen de aanzienlijke kosten zou opwegen. Juni 1934 wordt het werk daarom stopgezet (Bussumsche Courant, 2-6-1934) In 1937 vormt de Sijdjesberg opnieuw onderdeel van een veel groter werkverschaffingsplan waarbij het zand gebruikt zou moeten worden voor het inpolderen van kuststroken langs het IJsselmeer. Dit hele project zou 900.000 gulden moeten kosten, en ook dit bleek te duur en werd niet uitgevoerd. Dit verandert met de tweede wereldoorlog. De Nederlandsche Opbouwdienst laat dan barakken neerzetten, en op een foto uit 1940 is te zien hoe de berg met kruiwagens zand wordt opgehoogd. De Nederlandsche Opbouwdienst was door Seyss-Inquart in het leven was geroepen om de gedemobiliseerde Nederlandse beroepsmilitairen werk te verschaffen. Sindsdien heeft de Sijdjesberg zijn beetje getrapte uiterlijk, alsof er een hoedje op staat. (foto werkzaamheden NIOD beeldcollectie nr 79959). Waarschijnlijk is het vlakke terrein rondom de Sijdjesberg in deze periode ontstaan, omdat op een van de foto’s van het NIOD zichtbaar is dat de mannen het zand afvoeren over een spoortje dat op een verhoging is aangelegd bij een afgevlakt stuk.

 

 

 

2015_Huizen_Copyright-Pixelpolder_02032015_0D43168.NEF_0037Over de andere bergen is veel minder bekend.

De Eukenberg ligt het meest noordelijk van alle tafelbergen, vrijwel aan de huidige oever van het meer. Vanaf de berg is er een goed uitzicht over het water. Het is een markante bult. Een bord vermeldt dat de Eukenberg in de Gouden Eeuw opgeworpen werd als uitzichtpunt met theekoepel. Ook zou er een baken/vuurtoren op gestaan hebben.

 

Schoemaker_Leeuwenberg

Craandijk -1888-Leeuwenberg

De Leeuwenberg – of Venusberg in Oud-Valkeveen was in de 17e eeuw onderdeel van het park van een buitenplaats Graeffenveld. De eigenaar Andries de Graeff plaatste op de opgeworpen heuvel een 20 meter hoge gedenkzuil, die n2015_Huizen_Copyright-Pixelpolder_03022015_Leeuwenberg_0D43178_02og op vroeg 20e eeuwse ansichtkaarten te zien is, maar thans is verdwenen. Op de tekening van de Schoemakers uit 1727 is de gedenkzuil nog goed te zien, evenals op de afbeelding in de  Nieuwe wandelingen door Nederland van Jacobus Craandijk en P.A. Schipperus uit 1888.  De heuvel is in het huidige landschap niet makkelijk te herkennen door de dichte begroeiing. Op de foto is met een lijn het oorspronkelijk verloop van de heuvel aangegeven.

Ook van de Trapjesberg en de Woensberg wordt gezegd dat het kunstmatig opgehoogde heuvels zijn.

 

Er zijn drie mogelijke verklaringen voor de functie van de Tafelbergen, die elkaar door de tijd heen niet eens uit sluiten.

Cultusplek?

De oudste suggestie is dat het hier prehistorische of vroegmiddeleeuwse cultusplekken betreft. Wat daarvoor pleit is de ouderdom van enkele tafelbergen, de prehistorische vondsten die in de omgeving of op de berg zijn gedaan, en de vorm.

De kunstmatig opgeworpen afgeplatte kegelvorm kennen we uit het buitenland van bergen die om religieuze redenen zijn opgeworpen en waarop bij voorbeeld tot in recente tijd nog religieuze feesten werden gehouden, zoals Silbury Hill in het zuiden van Engeland. Silbury Hill is enkele jaren geleden opgegraven, waarbij opviel dat de heuvel weliswaar door mensen was opgeworpen uit maagdelijke witte kalksteen, maar verder geheel vondstloos en zonder andere bijzonderheden was. Wel is duidelijk dat de heuvel al aan het eind van het neolithicum werd opgeworpe

Wanneer er sprake is geweest van een cultusplek, zou de Sijdjesberg zeker een optie zijn. Wellicht is dit zelfs de eigenlijke tafelberg uit de goederenlijst van Werden geweest. In het volksgeloof speelde de Sijdjesberg een belangrijke rol. Volgens een zegsvrouw aan de verhalenbank van het Meertensinstituut heette de berg vroeger Seitjesberg, en was het centrum van de omgeving. Wanneer een vrouw een kind had gekregen legde ze het op een draagkussen en bracht het naar de Seitjesberg, waar het op de aarde gelegd werd.

Militair?

Een militaire betekenis is ook voor de tafelbergen een optie. Het is opvallend dat ze alle vier op korte afstand van elkaar gelegen zijn. Bij de Eukenberg is het zelfs heden ten dage nog duidelijk dat vanaf de top een excellent overzicht over de omgeving en het zeer nabijgelegen voormalige Almere verkregen kan worden.

TopoHeimenberg

De Heimenberg op de Topografische kaart van 1920

Die militaire betekenis was vooral in de vroege middeleeuwen interessant. Nu weten we niet wanneer de eerste tafelbergen zijn aangelegd, maar er is een mogelijkheid dat ze een rol hebben gespeeld bij de verdediging tegen Vikingaanvallen in de 9e -10e eeuw. Of ze hadden te maken met de graven van Hamaland, die de omgeving in de 10e eeuw in bezit hadden. Deze bouwden een aantal verdedigingswerken met grote aarden wallen op diverse strategische plaatsen in hun gebied (zie: Van Doesburg, Jan, Back to the Facts. New evidence for and thoughts on early medieval earthworks in the central Netherlands. Chateau Gaillard 25, 2012, 105-118) Enkele van deze verdedigingswerken, zoals de Duno onder Doorwerth en de Heimenberg bij Rhenen liggen op heuvels langs rivieren en andere plekken van waar men een goed uitzicht over de omgeving had. De Heimenberg gaat, zoals inmiddels is gebleken, terug tot de 7e eeuw. Politieke grenzen lagen even ten oosten van het gebied van de Tafelbergen. In later tijd is dat de grens tussen Holland en het Sticht.

Daarnaast stonden er op enkele tafelbergen vuurbakens, de Tafelberg in Blaricum heette lange tijd zelfs Kooltjesberg. Zo konden ze schepen op het Almere waarschuwen voor de kust, en ze konden dienen om snel militaire signalen door te geven.

Een andere mogelijkheid is dat we hier met een uitkijkheu­vel uit de mid­deleeuwen of later te doen hebben, maar deze heuvels heten meestal “Koerheu­vel” en niet Tafel­berg. Anderen zijn mogelijk pas in de 17e eeuw als uitzichtheuvel ontstaan. Ze hadden duidelijk een aantrekkingskracht voor de ontwerpers van landgoederen en parken in de 17e en 18e eeuw, die ze incorporeerden in hun ontwerp, en mogelijk verhoogden. De Tafelberg in Blaricum werd in 1917 als watertoren gebruikt.

Dingplaats?

Een derde optie werd onlangs gesuggereerd door Cruysheer en Van der Tuuk, die een vergelijking trokken tussen de Tafelbergen en de verhoogde (vroeg)middeleeuwse dingplaatsen, zoals die verder naar het oosten aangetroffen worden. (Cruysheer en van der Tuuk, 2015) Ook die hadden een cultische bijbetekenis. Het lijkt me echter onwaarschijnlijk dat alle genoemde tafelbergen zo gefunctioneerd zouden hebben, omdat men er in een gebied zo groot als Naerdinclant niet meer dan een, hooguit twee, zou verwachten.

Geen andere tafelbergen?

Er worden in de literatuur meer Tafelbergen genoemd, maar hun status is veel onduide­lijker. In geen van de gevallen die in de literatuur worden genoemd lijkt sprake te zijn van een vergelijkbare Tafelberg als die in het Gooi. (Voetnoot: het betreft hier de Tafelberg onder Maarsber­gen; de Kapellen­berg in Rozendaal, De Pampel op de Hoge Veluwe, de Drusus­berg tussen Merum en Ool en de Tafelberg onder Velp. De Drususberg is mogelijk een (Romeinse) grafheuvel.

 

(Zie over Tafelbergen: Bakker en Ypey 1963, Fockema Andreae 1961; en ook Harten 1976, Kerkkamp 1966; Heldring & Graadt Jonckers 1841: 233; Yankel Kobalowitz, Onderzoek naar oorsprong en verleden van de Tafelberg in het Gooi. In: Archeologica Naerdinclant. 2014-2, 32-36; Koopman, S; Geologische atlas van het Gooi, AWN-Naerdincklant 2013; Anton Cruysheer en Luit van der Tuuk, Het Gooi in de vroege middeleeuwen: geschiedenis, nederzettingen en vondsten. Archeologica Naerdincklant 2015-3, 2-20)

De foto’s in dit artikel zijn van (c)Sjaan Vanderjagt/Pixelpolder